Instrumenten


Een slagwerkensemble van tegenwoordig heeft een uitgebreid instrumentarium.
De instrumenten zijn te verdelen in:

Traditionele instrumenten
Tot de traditionele instrumenten behoren de scherpe, doffe, tenor en grote trommen.

De scherpe trommen zijn wel de bekendste van de vier. Aan het ondervel zijn ze voorzien van een snaar. Doordat deze snaar tegen het ondervel gedrukt zit, ontstaat er bij het aanslaan van de trom een scherp geluid. Deze scherpe trommen zijn er in verschillende maten. Plat, halfdiep of diep.
De doffe, of ook wel paradetrom genoemd, is meestal dieper dan de scherpe trom. Aan deze trom zit geen snaar bevestigd en brengt dus een natuurlijke doffe klank voort. Tegenwoordig zijn de scherpe en doffe trommen ook wel van eenzelfde formaat. Door een vernieuwd snarenmechaniek kan eenzelfde trom voor zowel een mooie doffe klank, als voor een strakke scherpe klank zorgen.
De tenor trom is te vergelijken met een doffe trom. Alleen heeft deze een grotere diameter, waardoor hij dieper klinkt. De tenor trom zorgt samen met de grote trom voor de ondergrond van het korps. Hij brengt een iets hoger geluid voort dan de grote trom en wordt met stokken met vilten bollen aangeslagen.
De grote trom of ook wel bassdrum genoemd is de grootste trommel in het tamboerkorps of slagwerkensemble. Dit instrument geeft de maat aan en speelt vaak samen met de tenor trom. De bassdrum wordt aangeslagen met grote vilten kloppers.


Solo-instrumenten
De solo-instrumenten nemen een belangrijke plaats in bij een slagwerkensemble. Als de instrumenten in bepaalde muziekstukken worden gebruikt hebben ze een solopartij. Ze zorgen voor verfraaiing van het geheel en zijn tijdens een solostuk duidelijk te horen. Solo betekent ‘alleen’ dus moet degene die het solo-instrument bespeeld sterk in zijn schoenen staan. Hij speelt in verschillende nummers dwars tegen het ritme in of heeft lastige figuurtjes te slaan. Dan bestaan de solo-instrumenten nog uit minimaal 2 verschillende toonhoogtes. Het variëren met deze klanken maakt het bespelen extra moeilijk. Voorbeelden van solo-instrumenten zijn bongo’s, timbales, timp toms, rototoms en templeblocks.


Ritme-instrumenten
Ritme-instrumenten geven het basisritme van een bepaald muziekstuk aan. Ze zorgen voor de ‘schwung’ van het nummer. Meestal bestaat een partij voor deze instrumenten uit een herhaling van een bepaald ritmisch stukje. Tijdens het nummer wordt dit haast eindeloos herhaald met hier en daar een variatie. De solo- en/of traditionele instrumenten soleren hier dan overheen, wat vaak tot prachtig samenspel leidt. Als bespeler van een ritme-instrument is het zaak strak in de maat te spelen, want heel het orkest steunt hierop. Ritme-instrumenten zijn veelal buitenlandse instrumenten, die gebruikt worden bij de verschillende buitenlandse ritmes. Tot deze groep behoren de ritmebekkens, marsbekkens, hi-hat, a go go bells, cowbells, sleebells, castagnetten, claves, maracas, shakers, cabasa, guiro, tamboerijn, beatring en conga’s.

 

Effectinstrumenten
De effectinstrumenten zorgen voor het effect dat nodig is voor een verbeelding van het verhaal dat via de muziek wordt verteld, voor de sfeer van het muziekstuk, of voor de accenten in het nummer. Voorbeelden van deze instrumenten zijn: een gong of tam tam, concert(slag)bekkens, triangel, zweep, samba-whistle, stoomfluit, vibra-slap, flexatone, chimes, en woodblock.


Melodische instrumenten
De enige melodische instrumenten die slagwerkgroep Crescendo in gebruik heeft, zijn de pauken. Deze worden in slagwerkensembles vaak gebruikt in 2 toonhoogtes om een ritme aan te geven, of door middel van glissando’s een bepaald effect weer te geven.