Instrumenten  

De brassband is te verdelen in een drietal instrumentengroepen.


Scherp koper

Tot het scherp koper behoren de cornet en de trombone. De cornet is het basisinstrument van de brassband, zoals de bugel bij de fanfare. Het orkest bestaat dan ook voor de helft uit dit instrument. Eén es-cornet, enkele solo-cornetten, een repiano-cornet, en verschillende tweede en derde cornetten bepalen de linkerhelft van de brassband. De cornet is iets kleiner dan een trompet en heeft een minder schelle en warmere klank dan haar grotere zus.

De trombone is het andere instrument dat onder het scherp koper valt. Dit blaasinstrument heeft geen ventielen zoals de cornet, maar een uitschuifbare buis waardoor de noten worden gevormd. Hoe verder de buis uitgeschoven, des te langer wordt de weg voor de lucht en des te lager klinkt de toon. De eerste trombone, tweede trombone en bastrombone sluiten het scherpkoper af. Gek genoeg hebben deze instrumenten in de orkestvorm geen plaats gekregen naast, maar tegenover de cornetten.



Zacht koper
 

Het zacht koper bestaat uit een vijftal verschillende instrumenten. De kleinste is de bugel. Hij heeft de vorm van een cornet, maar is wat groter van omvang en heeft een warmere klank. Bij de fanfare wordt dit instrument veel gebruikt. Bij een brassband heeft hij een heel andere functie. De bugel wordt in een koperorkest als solo-instrument gezien. Bij veel muziekstukken heeft de bugel een solopartij.
De vier andere zacht koperinstrumenten hebben eenzelfde (tuba)vorm. De althoorn heeft het kleinste formaat. Zij nemen plaats recht voor de dirigent. De althoorns spelen driestemmig; een solo, een eerste en een tweede hoornpartij.
Een slagje groter is de bariton. In een brassband zijn daar twee stemmingen van, een eerste en een tweede baritonpartij. De baritons nemen plaats op de voorste rij aan de rechterkant, naast de euphoniums.
De euphonium is weer wat groter dan de bariton. Hierdoor brengt het instrument een wat donkerdere klank voort. De euphonium zit aan de rechterkant van het orkest vooraan op de eerste rij. Het instrument kent twee stemmingen. Een eerste en een tweede euphoniumpartij.
Nu komen we bij de ondergrond van het orkest; de bassen. Ook hier is verschil in grootte te zien. De es-bas zit qua omvang namelijk tussen een euphonium en een bes-bas in. Een brassband heeft twee es-bassen en twee bes-bassen. Deze instrumenten nemen plaats achter de althoorns.



Het slagwerk 
De achterste linie van de brassband bestaat uit het slagwerk. Deze groep is onder te verdelen in gestemd en ongestemd slagwerk.
Tot het gestemde slagwerk horen bijvoorbeeld de pauken en het klokkenspel. Deze instrumenten worden gebruikt om de blazerssectie net dat beetje meer in klank te geven, zodat het geheel overkomt als een volwaardig orkest. Belangrijke melodietjes worden geaccentueerd door het klokkenspel en de ondergrond wordt verduidelijkt met de pauken. Naast klokkenspel en pauken zijn er ook nog de marimba’s, xylofoons en buisklokken. Het andere grotere gedeelte van het slagwerk zijn de ongestemde instrumenten. De belangrijkste hiervan is het drumstel. Dit instrument neemt een grote plaats in bij de brassband. Het drumstel geeft het ritme aan en heel het orkest heeft hier steun aan. Verder geven concert(slag)bekkens, tamboerijn, bongo’s, conga’s, triangel, cowbell, woodblock, shakers, maracas, chimes en een gong meer kleur aan de totale brassbandklank.